Een automobilist krijgt panne op een (snel)weg. Hij heeft geen telefoon bij zich. In welke situatie heeft de automobilist de meeste kans op hulp volgens de theorie van het omstandereffect?
Volgens deze theorie gebeurt dat eerder als er sprake is van veel verkeer op de (snel)weg.
Volgens deze theorie gebeurt dat eerder als er sprake is van weinig verkeer op de (snel)weg.
Deze theorie luidt dat het geven van hulp afhangt van zichtbare kenmerken, zoals de hulpeloosheid van de chauffeur of de staat van onderhoud van de auto.
Elk jaar weer beginnen veel studenten aan een opleiding. Wat blijkt een belangrijke factor te zijn of een eerstejaarsstudent zich makkelijk en succesvol aanpast aan deze – voor hem – nieuwe situatie?
Of hij in de nieuwe situatie snel de informele leider(s) kan herkennen.
Of hij, voordat hij ging studeren, lid was van veel verschillende groepen.
Of hij zich (cognitief) had voorbereid op de studie door bijvoorbeeld naar voorlichtingsbijeenkomsten te gaan.
Wat neemt toe als de leden van een groep een hoge mate van onderlinge verbondenheid kennen?
De cognitieve vaardigheden van de leden – met name het langzame denken (type 2) – worden bevorderd.
De motivatie van de leden – vooral hun autonome motivatie – kent vaak een spectaculaire ontwikkeling.
De identiteit van de leden van de groep – vooral de sociale identiteit – neemt toe.
Wat is een voorbeeld van een referentiegroep?
De groep mensen die elke drie weken het fanblad van hun favoriete voetbalclub krijgen toegestuurd.
Een team van hulpverleners die samen de zorg verlenen aan een groep kinderen met een ontwikkelingsstoornis.
De bijna 80 miljoen volgers van Justin Bieber op Instagram.
Het valt een nieuwe directeur van een basisschool op dat de kinderen ’s ochtends niet altijd hun meester of juf groeten en dat het soms chaotisch is met veel kabaal. De directeur besluit dat elke ochtend als de kinderen het klaslokaal binnenkomen de meester of juf in de deuropening moet staan en elk kind een hand moet geven. Dit moet het hele jaar door gebeuren. Waarvan is dit besluit een voorbeeld?
Van een expliciete regel.
Van een impliciete regel.
Van sociale facilitatie.
In het boek wordt beschreven dat de productiviteit van een groep afhangt van twee factoren: de mate van groepscohesie en de hoogte van de prestatienorm. Welke combinatie levert de laagste productiviteit op van de groep?
Een hoge groepscohesie met een lage prestatienorm.
Een lage groepscohesie met een hoge prestatienorm.
Een lage groepscohesie met een lage prestatienorm.
Een hbo-opleiding wordt geconfronteerd met langstudeerders die alleen nog maar een scriptie hoeven te schrijven. Maar mede omdat ze dat helemaal alleen moeten doen – ze hoeven niet meer naar school – duurt dat proces erg lang en lopen ze steeds meer achterstand op. De opleiding besluit de langstudeerders te verplichten om één middag naar school te komen en daar samen met andere langstudeerders en twee begeleiders in eenzelfde lokaal te werken aan hun scriptie. Met welk groepsproces beoogt de opleiding het afstuderen van deze studenten te versnellen?
Met groepsdenken.
Met situationisme.
Met sociale facilitatie.
Wat is kenmerkend aan een groep als er groepsdenken heeft plaatsgevonden?
Voorafgaand aan het groepsdenken was er een brainstormsessie om tot een adequaat besluit te komen.
Een open houding waarin onorthodoxe ideeën gestimuleerd worden.
Unanimiteit in de besluitvorming.
Muzafer Sherif is een sociaal psycholoog die experimenten uitvoerde waarbij hij rivaliteit aanwakkerde tussen twee groepen jongens. Hoe kon hij die rivaliteit weer doorbreken?
Door een gemeenschappelijk belang te creëren.
Door de groepsleden met elkaar in contact te brengen tijdens het ontbijt of tijdens het sporten.
Door elke groep objectieve informatie te geven over de andere groep.
Martin Calis is een docent op een hbo-opleiding verpleegkunde. Het valt een collega op dat de cijfers die hij geeft aan allochtone studenten gemiddeld wel een punt lager zijn dan die van autochtone studenten. Martin Calis is zich van geen kwaad bewust. Zijn collega raadt hem aan de toetsen anoniem te gaan nakijken, zodat hij niet een naam kan lezen die te herleiden is naar de afkomst van een student. Tot grote verbazing van Martin Calis zijn de verschillen in cijfers daarna veel minder groot. Vanuit welk begrip kun je deze verschillen in cijfers begrijpen?
Expliciet stereotype.
Groepsdenken.
Impliciet stereotype.
Mensen zijn in staat om andere onbekende mensen te helpen, zelfs als dat nadelig voor henzelf is. Hoe noemen we dit verschijnsel in de psychologie?
Altruïsme.
Empathie.
Naastenliefde.
Een van de uitgangspunten van het SCARF-model voor het goed functioneren van teams is autonomie. Op wie slaat deze autonomie?
Op het team, dat autonoom (onafhankelijk) van de leidinggevende moet functioneren.
Op de teamleden, die autonoom mogen zijn in hoe ze hun werkzaamheden inrichten.