Beter Nederlands spreken

[aa] van naam / [a] van jas

Vraag en antwoord [a]

Geef antwoord met het gegeven woord. Let op de uitspraak van de [a].


Voorbeeld:

> Ja, … (bang)

Antwoord:
Ben je bang? > Ja, ik ben bang.


Neem de oefening voor jezelf op, bijvoorbeeld met je telefoon. Vergelijk je opname met het voorbeeld. Niet tevreden? Doe de oefening nog een keer.

  

> Ja, … (wakker)




> Ja, … (’s nachts)




> Ja, … (krant)




> Ja, … (lang)




> Ja, … (van appelsap)




> Ja, … (tas)