Op naar de eindstreep

Zelftoetsen

Vul in: de juiste vorm en tijd van moeten of zullen.

1 Ik een baan zoeken; ik heb mijn studie afgerond.
2 Het niet makkelijk zijn om werk te vinden.
3 Er veel mensen zijn die ook als architect willen werken.
4 Ik een goed portfolio hebben voor een goede eerste indruk.
5 En misschien mijn partner en ik wel verhuizen.
6 Want in een grote stad meer werk zijn dan in het dorp waar we nu wonen.
7 Daar mijn ouders niet blij mee zijn.
8 Zij zijn al oud en worden verzorgd.
9 De buurman dan de boodschappen moeten doen.
10 Maar eerst ik nog een vacature vinden.