-
De andere reizigers ... niets te zeggen.
-
willen
-
durven
-
hebben geen zin
-
De kinderen ... de hond meenemen.
-
willen
-
vinden het leuk
-
durven
-
Annemieke ... om in de regen te fietsen.
-
probeert
-
moet
-
vindt het vervelend
-
Henri en Thea ... over de vakantie te praten.
-
gaan naar het reisbureau
-
kunnen
-
zitten
-
De docent ... heel hard te lachen.
-
begon
-
vond het leuk
-
bleef
-
Peter ... nog een glas wijn halen.
-
ging
-
probeerde
-
had zin
-
Michiel ... op het ijs te lopen.
-
vindt het lekker
-
durft
-
gaat
-
Ik ... mijn fiets repareren.
-
probeerde
-
vond het moeilijk
-
liet