Nederlands in actie

Extra opdrachten

Hoofdstuk 3

Vocabulaire - Opdracht 1

Lees de aanwijzingen en vul de woorden in.

Als je een woord niet weet, kun je op ‘hint’ klikken.
Klik op ‘controleer’ als je klaar bent.

1. Je humeur is slecht. Je bent .

2. synoniem van somber =

3. synoniem van zenuwachtig =

4. synoniem van vrolijk =

5. Je fiets is gestolen. Je bent .

6. Je voelt je kalm. Je voelt je .

7. het tegenovergestelde van ongelukkig =

8. Je hebt hard gestudeerd, maar je hebt de test niet goed gemaakt. Je bent .

9. Je voelt je alleen. Je voelt je .

10. De resultaten van een belangrijk medisch onderzoek bij jou zijn goed. Je bent .

11. Je vindt dat je iets goed hebt gedaan. Je bent .

12. Je partner besteedt veel aandacht aan een andere man / vrouw. Je vindt dat niet leuk. Je bent .

13. Je hebt niet gestudeerd, maar je hebt een goed resultaat behaald bij de test. Dat had je niet verwacht, dus je bent .

14. Je collega’s organiseren in het geheim een feestje voor je. Je bent .