Nederlands in actie

Extra opdrachten

Hoofdstuk 5

Werkwoorden - Opdracht 2

Onregelmatige werkwoorden

Presens » perfectum
Zet de zinnen in het perfectum. Let ook op hebben en zijn.

Als je het antwoord niet weet, kun je op ‘hint’ klikken.
Klik op ‘controleer’ als je klaar bent.

Voorbeeld:
We doen niet alles direct goed.
We hebben niet alles direct goed gedaan.

1. Hij kiest een leuke school voor zijn kinderen.
Hij een leuke school voor zijn kinderen.

2. Ze verliet haar land en haar familie voor haar nieuwe werk.
Ze haar land en haar familie voor haar nieuwe werk.

3. Mijn werkgever dwingt ons tot een snelle beslissing.
Mijn werkgever ons tot een snelle beslissing .

4. Na het werk drinkt hij wat met zijn collega’s.
Na het werk hij wat met zijn collega’s.

5. Ik begrijp eigenlijk niet wat calvinistisch is.
Ik eigenlijk niet wat calvinistisch is.

6. We blijven ruim vier jaar in Amsterdam.
We ruim vier jaar in Amsterdam .

7. Ik glijd bijna uit in de badkamer.
Ik bijna in de badkamer.

8. Ik ervaar dat juist andersom.
Ik dat juist andersom .

9. Het bedrijf van mijn man helpt ons bij problemen met de overheid.
Het bedrijf van mijn man ons bij problemen met de overheid.

10. Natuurlijk koop ik ook een fiets!
Natuurlijk ik ook een fiets !