Nederlands in actie

Uitspraak- en verstavaardigheid

Hoofdstuk 4 - Opdracht 3


Fragment opdracht 3

Op welk woord ligt het accent? Welk vervolg is juist? Kies a of b.
Er zijn twee versies. Je hoort eerst versie 1 en daarna versie 2.

  1. Lever de schrijfopdracht voor volgende week in. 
    a) niet de spreekopdracht
    b) niet na volgende week
      
  2. Zouden jullie je pen willen neerleggen?
    a) niet je potlood
    b) niet vasthouden
       
  3. We moeten vandaag iets eerder ophouden.
    a) niet morgen
    b) niet veel
       
  4. Viel de test mee?
    a) niet het huiswerk
    b) niet tegen
      
  5. De testen vinden volgende week in een ander gebouw plaats.
    a) niet de lessen
    b) niet hetzelfde
      
  6. Spreek het vocabulaire hardop uit.
    a) niet de antwoorden
    b) niet zachtjes
      
  7. We doen de eerste vier vragen in de les.
    a) niet de laatste
    b) niet thuis
       
  8. Het is belangrijk om de nieuwe woorden thuis op te zoeken.
    a) niet de oude
    b) niet in de cursus
      
  9. Leg de grammatica in groepjes van drie aan elkaar uit.
    a) niet het vocabulaire
    b) niet in tweetallen
      
  10. Ik zal het huiswerk straks opgeven.
    a) niet de opdrachten
    b) niet nu