Volgende Hoofdstuk 1 1.1 Dialoog 1.2 Woordenlijst 1.4 Personaal pronomen 1.5 Telwoorden 1.6 Het alfabet 1.9 Uitspraak: zinsaccent Verdieping Opdracht 1: Personaal pronomen Opdracht 2: Werkwoord hebben Opdracht 3: Werkwoord zijn Opdracht 4: Werkwoorden Vul de juiste vorm van het werkwoord in. Klik als je alles hebt ingevuld op Controleer opdracht.1 beginnenWe met de cursus.2 komen jij uit China?3 wonenJullie nu in Nederland.4 hetenIk Angela. En jij?5 luisterenEdit naar het lied.6 stoppenWe even. Het is pauze.7 spellenKarin het adres. Controleer opdracht oké