| 1. Na de vergadering weet ik nu alles over het nieuwe project. |
|
|
| 2. Tot op heden heb ik het pakketje niet ontvangen. |
|
|
| 3. Ze had zo veel eten gekookt, dat er bij wijze van spreken genoeg was voor een heel weeshuis! |
|
|
| 4. Op het vliegveld moet je goed op je spullen letten. |
|
|
| 5. Op verschillende plaatsen lagen boeken en papieren. |
|
|
| 6. De leidinggevende zegt dat zijn werknemer geen gelijk heeft. |
|
|
| 7. De gevolgde procedure is niet volgens de wet. |
|
|
| 8. Omdat Tessa het kleine theater in haar woonplaats gunstig gezind is, doneert ze jaarlijks een aardig bedrag. |
|
|
| 9. De nieuwe maatregel op zich is niet slecht, maar wel de mate waarin deze wordt toegepast. |
|
|
| 10. Duurt het feest tot 23 uur of tot 24 uur? We moeten nu iets beslissen, want we moeten de uitnodigingen snel versturen. |
|
|