Nederlands naar perfectie

Hoofdstuk 7

Opdracht 4 Separabele en niet-separabele werkwoorden

Extra oefening met separabele en niet-separabele werkwoorden

Sommige werkwoorden zijn separabel, andere niet. Vul de juiste vorm in van het werkwoord tussen haakjes.

Let op: je hoeft niet overal iets in te vullen! Zet een streepje (-) op de plekken waar je niets wilt invullen.

Klik op 'Extra letter' of op '[?]' als je het antwoord niet weet. Let op: de knop '[?]' toont het goede antwoord.

1. Mijn collega nooit eerst met mij , maar doet gewoon wat ze zelf wil. (overleggen)
2. Mijn familie uit Nieuw-Zeeland is vorige maand naar Nederland . (overkomen)
3. Maak je maar geen zorgen over die regenbui; die . (overdrijven)
4. Ik was vandaag als eerste op kantoor; dat is nog nooit ! (voorkomen)
5. Voordat hij in dienst kan komen bij dat bedrijf, moet eerst nog een ‘verklaring van goed gedrag’ worden . (overleggen)
6. Haar woorden niet altijd vriendelijk . (overkomen)