Rekenen en wiskunde uitgelegd

Hoofdstuk 3

Tijd


Maak de opgaven. Klik op 'Controleer' om je antwoorden te controleren. Als je alles goed hebt, kun je van enkele opgaven uitwerkingen bekijken.
  1. Iemand rijdt met een gemiddelde snelheid van 75 km per uur. Hij of zij rijdt 3 uur en 25 minuten. Hoeveel km heeft die persoon afgelegd? km
  2. De afstand van je huis naar school is 5 ‘fietsminuten’. ’s Morgens ontdek je dat je een lekke band hebt en dus ga je lopend. Hoeveel minuten duurt deze wandeling ongeveer? Geef het antwoord met een marge van 5 minuten. à minuten
  3. Mevrouw De Vries werkt op een kantoor in het centrum. Van huis naar kantoor fietst ze 15 minuten. Zij rijdt gemiddeld 18 km per uur. Hoeveel km is de afstand van kantoor naar huis? km
  4. Jan heeft een fietstocht gemaakt. Hij vertrok om 10:40 en om 15:20 uur was hij weer thuis. De kilometerteller op zijn fiets geeft aan dat hij 98 km heeft gereden. Wat was de gemiddelde snelheid van Jan in km/u? km/u
  5. Een lustrum duurt jaar.
  6. Een eeuw duurt jaar.
  7. Een millennium duurt jaar.
  8. Een kwartaal duurt maanden.
  9. Een etmaal duurt uur.
  10. Een wielrenner uit de Tour de France rijdt in 6 uur, 5 minuten en 10 seconden precies 207 kilometer. Wat is zijn gemiddelde snelheid in km/u? (Rond af op een heel getal.) km/u