Gegeven: de leerkracht geeft het volgend vraagstuk op: in het kader van de verkeersveiligheid wil de politie nagaan hoeveel kinderen met de fiets naar school komen. In de hoogste drie leerjaren van onze school komt men tot het volgende resultaat:
- 4e leerjaar: 16/20
- 5e leerjaar: 6/10
- 6e leerjaar: 20/30
In de drie klassen samen zijn er dus ... fietsers op ... leerlingen. Dit is ... %. Een leerling schrijft als oplossing:
60 – 42 = 18
100 – 18 = 82
Dus: er zijn 82 % fietsers.
Welke denkfout ligt ten grondslag aan deze foutieve oplossing?