Chapter 3
Negations: geen
| positive | negative |
|---|---|
|
Ik heb een tante. Hij heeft een broer. Ze hebben een grote familie. |
Ik heb geen tante. Hij heeft geen broer. Ze hebben geen grote familie. |
|
We hebben Ø kinderen. Daar wonen Ø nieuwe mensen. |
We hebben geen kinderen. Daar wonen geen nieuwe mensen. |