Start.nl - deel 2

Hoofdstuk 3

Liggen, zitten, staan, lopen + te + infinitief

Oefening 2

Maak zinnen met het positiewerkwoord tussen haakjes.
Klik op ‘[?]’ als je het antwoord niet weet. Deze knop toont het goede antwoord.

Als je klaar bent met de oefening klik je op 'controleer' om je antwoorden te controleren.

1. Ik lees een boek. (zitten)
.

2. Hij eet zijn eten op. (staan)
.

3. Ze belt haar vriendin. (lopen)
.

4. Ik dans. (staan)
.

5. We dromen. (liggen)
.

6. Ik ontbijt. (zitten)
.

7. Hij studeert. (liggen)
.

8. Ze kookt een ei. (staan)
.

9. Ze smeren zich in. (liggen)
.

10. Ze pakt haar kleren in. (staan)
.