Hoofdstuk 8
Daar / er = plaats
In de dialoog heb je net gezien:
- Ik woon in een studentenhuis en daar zijn nou eenmaal vaak feestjes.
- Dan ga je de volgende keer maar gewoon in jouw eigen huis slapen. Daar is het tenminste lekker rustig.
In de eerste zin verwijst daar naar in een studentenhuis.
In de tweede zin verwijst Daar naar in jouw eigen huis.
| Daar | Er |
|---|---|
|
Ik woon in Spanje. Daar schijnt iedere dag de zon. |
Ik woon in Spanje. De zon schijnt er iedere dag. |
|
Hij gaat naar de sportschool. Daar gaat hij zwemmen en fitnessen. |
Hij gaat naar de sportschool. Hij gaat er zwemmen en fitnessen. |
- In het eerste voorbeeld verwijzen Daar en er naar …
- In het tweede voorbeeld verwijzen Daar en er naar …
- Waar staat daar in de zin?
- Waar staat er in de zin?