Volgende Hoofdstuk 1 1.1 Dialoog 1.2 Woordenlijst 1.4 Zinnen: personaal pronomen + werkwoord 1.5 Telwoorden / het alfabet / spellen Verdieping Opdracht 1: Personaal pronomen Opdracht 2: Werkwoord hebben Opdracht 3: Werkwoord hebben Opdracht 4: Werkwoord zijn Opdracht 5: Werkwoorden Opdracht 6: Personaal pronomen Welk woord past in de zin? Klik het goede woord aan. toon alle opgaven vorige volgende Dag Anna. Woon ___ ook in Amsterdam? ? wij ? jij ? zij De andere docent is Paul. ___ komt uit Engeland. ? Hij ? Wij ? Jij Hans en Freek, hebben ___ het boek ook? ? hij ? jullie ? ik Mevrouw, woont ___ op nummer 24? ? zij ? hij ? u Het is pauze. ___ stoppen even. ? Ik ? We ? Je oké