Volgende Hoofdstuk 1 1.1 Dialoog 1.2 Woordenlijst 1.4 Zinnen: personaal pronomen + werkwoord 1.5 Telwoorden / het alfabet / spellen Verdieping Opdracht 1: Personaal pronomen Opdracht 2: Werkwoord hebben Opdracht 3: Werkwoord hebben Opdracht 4: Werkwoord zijn Opdracht 5: Werkwoorden Opdracht 6: Personaal pronomen Vul de juiste vorm van het werkwoord in. Klik als je alles hebt ingevuld op Controleer opdracht.Klik op '[?]' als je het antwoord niet weet. Deze knop toont het goede antwoord.1 [?] zijn de docenten. [?] heten Sara en Herman.2 Mijn naam is Shirley en [?] kom uit Frankfurt.3 Andrea komt uit Duitsland. En Katrin? Komt [?] ook uit Duitsland?4 [?] bent nu twee dagen in Nederland en [?] spreekt al Nederlands?5 Timo en Silke, hebben [?] het boek? Controleer opdracht oké