Volgende Vorige Hoofdstuk 2 2.1 Dialoog 2.2 Woordenlijst 2.5 Zinnen: hoofdzinnen: tijd en plaats 2.6 Possessief pronomen 2.8 Uitspraak: a — aa Verdieping Opdracht 1: Possessief pronomen 1 Opdracht 2: Possessief pronomen 3 Welk woord past in de zin? Klik het goede woord aan. toon alle opgaven vorige volgende Julia, waar is ___ boek? ? jouw ? jij Dit is mijn broer, en ___ vriendin heet Tanja. ? hij ? zijn Wij wonen nu in Haarlem en ___ adres is Zijlweg 12. ? hun ? ons Magda en Joop, wie is ___ docent? ? zijn ? jullie Ulrike gaat met ___ ouders op vakantie. ? zij ? haar ___ naam is Sofia. ? Mijn ? Ik Sofia en Carla doen een cursus Nederlands. ___ docent heet Karin Dijkstra. ? Zijn ? Hun Mevrouw, wat is ___ woonplaats? ? uw ? ons oké