Volgende Vorige Hoofdstuk 2 2.1 Dialoog 2.2 Woordenlijst 2.5 Zinnen: hoofdzinnen: tijd en plaats 2.6 Possessief pronomen 2.8 Uitspraak: a — aa Verdieping Opdracht 1: Possessief pronomen 1 Opdracht 2: Possessief pronomen 3 Vul een possessief pronomen in. Klik als je alles hebt ingevuld op Controleer opdracht.Klik op '[?]' als je het antwoord niet weet. Deze knop toont het goede antwoord.1 Ik woon in Amersfoort en [?] zus woont in Rotterdam.2 Dit is Farah en [?] achternaam is Hartmann.3 Herman, de docent, spreekt met [?] buurman over de cursus.4 Wij komen uit Duitsland en [?] cursus begint maandag.5 Silke en Timo, is Karin Dijkstra [?] docent? Controleer opdracht oké