TaalDigitaal

Grammaticaoefeningen

  • Basiswoordvolgorde

     
  • Betrekkelijke bijzinnen (Relatieve bijzinnen)

     
  • Bijvoeglijke naamwoorden (Adjectieven)

     
  • Bijzin aan het begin

     
  • Dubbele infinitief

     
  • 'Er'

     
  • 'Hetzelfde' en 'dezelfde'

     
  • Indirecte rede

     
  • Lijdende vorm (Passief)

     
  • Modale werkwoorden

     
  • 'Moeten' en 'hoeven'

     
  • Ontkenning (Negatie)

     
  • Scheidbare werkwoorden

     
  • 'Staan - zetten', 'liggen - leggen'

     
  • Trappen van vergelijking (Comparatieven en superlatieven)

     
  • Uitdrukkingen met 'het'

     
  • Voegwoorden (Conjuncties)

     
  • Voltooide tijden (Perfectum en plusquamperfectum)

     
  • Voornaamwoorden

     
  • Voorzetsels (preposities) met 'hier', 'ergens', enz.

     
  • Wederkerende werkwoorden (Reflexieve werkwoorden)

     
  • Zinnen met meer werkwoorden

     
  • 'Zitten te ...', 'aan het ... zijn'

     
  • 'Zullen' en 'zouden'