Taaltalent 3

Hoofdstuk 10

Gatenoefening

Kies het juiste antwoord. Klik op 'controleer' als je klaar bent.
A. Vul het juiste bezittelijke voornaamwoord in.

1. Mijn vader is niet zo handig. Toch heeft hij al lampen zelf opgehangen.
2. Jouw auto is nieuwer dan de mijne, maar mijn auto is minder vaak kapot dan die van .
3. Hebben jullie vloer zelf gelegd?
4. Mijn man heeft het dak van huis gerepareerd.
5. Mijn moeder heeft een nieuwe telefoon. Ik kan haar niet bellen, want ik heb nieuwe nummer niet.


B. Vul het betrekkelijk voornaamwoord in. Soms moet je ook een voorzetsel toevoegen.

1. De man onze woning geschilderd heeft, werkt nu bij onze buren.
2. De tang ik de spijker uit de muur heb getrokken, is erg zwaar.
3. Het toestel ik gebruik om naar het buitenland te bellen, is niet van mij.
4. De verkoper ze advies gevraagd heeft, wist niet veel van camera's.
5. De techniek ze vertelden, wordt niet zo vaak gebruikt.


C. Maak een relatieve bijzin. Gebruik de informatie uit de zin tussen haakjes.

1. Ik ben niet zo tevreden over de tuinman . (De tuinman heeft mijn tuin aangelegd.)
2. De batterijen , zijn leeg. (De batterijen moeten in het toestel.)
3. Ze nemen contact op met het bouwbedrijf . (Het bouwbedrijf gaat volgend jaar hun huis bouwen.)
4. Dit is de nieuwe vloer . (Je mag twee dagen niet over de vloer lopen.)
5. Dit is de kwast . (We hebben alle muren met deze kwast geschilderd.)


D. Vul het juiste werkwoord in. Soms moet je de vorm veranderen. Je kunt kiezen uit: installeren – boren – voltooien – inschakelen – opslaan

1. Deze informatie kunt u het beste op uw computer .
2. Mijn zus een diep gat in de muur om het schilderij op te hangen.
3. Nadat ik de wasmachine had , hoorde ik een vreemd geluid.
4. Je moet eerst dit programma op je computer , voordat je ermee kan werken.
5. Nadat hij de werkzaamheden heeft , gaat hij een week op vakantie.


E. Vul het juiste woord in. Soms moet je de vorm veranderen. Je kunt kiezen uit: afmeting – pijltje – grondstof – spullen – kabel

1. Als je naar de volgende pagina wilt, moet je op de toets met het drukken.
2. De koelkast kan hier niet staan, want de is te kort.
3. Weet jij de van de kamer nog? Ik weet niet meer hoe lang en breed hij is.
4. Als je in huis werkt, moet je je niet op de grond laten liggen. Dat is gevaarlijk!
5. Voor mobiele telefoons gebruiken ze heel zeldzame . Die komen meestal uit Afrika., gaat hij een week op vakantie.