Hoofdstuk 10
Luisteroefening
Luister naar de zinnen en zeg ze na.
1. Het is een apparaat dat je gebruikt om de was te doen.
2. Het is een ding dat je gebruikt om fotoâs te maken.
3. Het is een apparaat dat je gebruikt om te bellen.
4. Het is een ding dat je gebruikt om de muur te schilderen.
5. Het is een apparaat dat je gebruikt om je eten op te warmen.
6. Het is een ding waarmee je een fles kunt openen.
7. Het is een apparaat waarin je de vieze glazen en borden zet.
8. Het is een ding waarmee je vlees kunt snijden.
9. Het is een apparaat waarmee je naar muziek kunt luisteren.
10. Het is een ding waarmee je de vloer schoonmaakt.