Taaltalent 3

Hoofdstuk 2

Woordenschat - Gatenoefening

Typ het goede woord in de zin. Soms moet je de vorm van het woord veranderen.
Kies uit: zich gedragen - protest - gerustgesteld - uiterste - bewegen - aanvoeren - strijden - omhelzen - klappen - aanmoedigen

1. De spelers op de bank de voetballers om een doelpunt te maken.
2. De tennisser was boos, maar zijn hielp niet. Hij kreeg geen punten.
3. De marathonloper deed zijn best om de finish te halen, maar hij was zo moe dat hij na veertig kilometer stopte.
4. De mensen toen de schaatser als eerste over de eindstreep kwam.
5. Johan Cruyff is een bekende voetballer. Eerst heeft hij jarenlang Ajax en FC Barcelona , later is hij trainer van deze clubs geworden.
6. In een toernooi verschillende teams om een plaats in de finale.
7. De schaatser de nummer één was geworden, en kuste zijn trainer.
8. De wielrenner niet meer nadat hij in het ravijn was gevallen.
9. De handballer was toen de sportarts zei dat hij weer mocht sporten.
10. Sommige supporters heel agressief als hun club niet wint.