Zichtbaar Nederlands

3 Het pronomen

Die, dat, deze of dit?

Vul in.



1. Hoe heet hond?
2. Wat is de functie van hekje?
3. In bergen ligt al sneeuw.
4. Zie je rivier?
5. Ze lopen over zebrapad.
6. meisje heet Olivia.
7. Ben je ooit in bos geweest?
8. windmolens staan hier al vijf jaar.
9. Waarom is kat niet bang?
10. Soms staan er mensen te vissen op kleine bruggetje.