Zichtbaar Nederlands

4 Het adverbium

Wel


Reageer met 'wel'.
1 Heb je niet genoeg geld?
– Ik heb .
2 Heeft Emma geen huisdieren?
– Emma heeft .
3 Heb je niet goed geslapen?
– Ik heb .
4 Heeft Jan de kamer niet schoongemaakt?
– Jan heeft .
5 Ken je zijn achternaam niet?
– Ik ken .
6 Ga je vandaag niet naar de supermarkt?
– Ik ga .
7 Sta je niet om zeven uur op?
– Ik sta .
8 Hebben zij geen comfortabele schoenen?
– Zij hebben .
9 Is het niet te laat?
– Het is .
10 Heb je geen plannen voor het weekend?
– Ik heb .