6 Het verbum
- Deel 6.1
- Deel 6.2
- Deel 6.3
- Deel 6.4
- Deel 6.5
- Deel 6.6
- Deel 6.7
- Deel 6.8
- Deel 6.9
- Deel 6.10
- Deel 6.11
- Deel 6.12
- Deel 6.13
- Deel 6.14
- Deel 6.15
- Deel 6.16
- Deel 6.17
- Deel 6.18
Vinden en vinden dat
Vinden kun je gebruiken in twee zinsconstructies:
- Ik vind + [object] + [rest]
- Ik vind dat + [bijzin]
Verander deze zinnen steeds naar de andere structuur. Voorbeeld:
Tom vindt dit eten niet lekker. → Tom vindt dat dit eten niet lekker is.
Tom vindt dat dit eten niet lekker is. → Tom vindt dit eten niet lekker.
- Ik vind + [object] + [rest]
- Ik vind dat + [bijzin]
Verander deze zinnen steeds naar de andere structuur. Voorbeeld:
Tom vindt dit eten niet lekker. → Tom vindt dat dit eten niet lekker is.
Tom vindt dat dit eten niet lekker is. → Tom vindt dit eten niet lekker.