Zichtbaar Nederlands

6 Het verbum

Hebben of zijn?

Vul de correcte vorm van 'hebben' of 'zijn' in.

1. Dit T-shirt gemaakt van 100% katoen.
2. John vorige week gestopt met roken.
3. Na twintig jaar het restaurant gesloten. (sluiten)
4. Frank een heerlijke salade gemaakt.
5. Ik deze week elke dag een half uur gewandeld.
6. Het regende, dus we thuis gebleven. (blijven)
7. Sasha, jij mijn sleutels gezien?
8. Ik door de regen naar het station gefietst.
9. We nooit problemen gehad met de buren.
10. Ik vandaag drie keer gebeld door Samira.