6 Het verbum
- Deel 6.1
- Deel 6.2
- Deel 6.3
- Deel 6.4
- Deel 6.5
- Deel 6.6
- Deel 6.7
- Deel 6.8
- Deel 6.9
- Deel 6.10
- Deel 6.11
- Deel 6.12
- Deel 6.13
- Deel 6.14
- Deel 6.15
- Deel 6.16
- Deel 6.17
- Deel 6.18
Willen
Zet voor al deze zinnen ‘Ik wil.’
Voorbeeld: Ik eet een stuk appeltaart. →
Ik wil een stuk appeltaart eten.
Voorbeeld: Ik eet een stuk appeltaart. →
Ik wil een stuk appeltaart eten.