Hoofdstukken
- [aa] van naam / [a] van jas
- [ee] van been / [e] van zes
- [oo] van doos / [o] van mond
- [ie] van fiets / [i] van wit
- [uu] van muur / [u] van bus
- Medeklinkercombinaties
- Uitleg [oo] van doos / [o] van mond
- Dialoog
- Luisteroefening [oo] – [o]
- Uitspraakoefening [oo]
- Uitspraakoefening [o]
- Uitspraakoefening [o] – [oo]
- Luister- en uitspraakoefening [oo]
- Luister- en uitspraakoefening [o]
- Luister- en uitspraakoefening [oo] – [o]
- Vraag en antwoord [oo]
- Vraag en antwoord [o]
- Uitspraakoefening [oo] met [r] of [l] – woorden
- Uitspraakoefening [oo] met [r] of [l] – zinnen
Luister- en uitspraakoefening [oo]
- Luister naar de zin. Herhaal de woorden met de [oo].
- Luister nog een keer.
- Zeg de hele zin na en let op de uitspraak van de [oo].
Neem de oefening voor jezelf op, bijvoorbeeld met je telefoon. Vergelijk je opname met het voorbeeld. Niet tevreden? Doe de oefening nog een keer.
Ze heeft last van haar ogen. – ogen
Wil je ook mee? – ook
Mijn zoon is acht jaar. – zoon
Hij is heel boos. – boos
Mag ik rode appels? – rode
Wat een grote doos. – grote doos
Koop je brood? – koop, brood
Hij heeft rood haar. – rood