Beter Nederlands spreken

[ee] van been / [e] van zes

Vraag en antwoord [e]

Geef antwoord met het gegeven woord. Let op de uitspraak van de [e].


Voorbeeld:

> Ja, … (werk)

Antwoord:
Heb je werk? > Ja, ik heb werk.


Neem de oefening voor jezelf op, bijvoorbeeld met je telefoon. Vergelijk je opname met het voorbeeld. Niet tevreden? Doe de oefening nog een keer.

  

> Ja, … (les)




> Ja, … (zes)




> Ja, … (gezegd)




> Ja, … (merk)




> Ja, … (pen)




> Ja, … (ben)