[uu] van muur / [u] van bus
Vraag en antwoord [u]
Geef antwoord met het gegeven woord. Let op de uitspraak van de [u].
Voorbeeld:
> Ja, … (zus)
Antwoord:
Is dat je zus? > Ja, dat is mijn zus.
Neem de oefening voor jezelf op, bijvoorbeeld met je telefoon. Vergelijk je opname met het voorbeeld. Niet tevreden? Doe de oefening nog een keer.
> Ja, … (nummer)
> Ja, … (cursus)
> Ja, … (bus)
> Ja, … (druk)
> Ja, … (terug)
> Ja, … (vlug)