Op naar de eindstreep

Zelftoetsen

Vul in: heel, hele of helemaal.

1 Je kunt op het IJsselmeer goed zeilen.
2 We hebben de dag op het strand gelegen.
3 De vissers waren het niet eens met de beslissing van de minister.
4 We zijn van Amsterdam naar Leeuwarden gefietst. Wat een eind!
5 Nederlanders zijn goed in het creëren van nieuw land.
6 Nadat het de week geregend had, stond het weiland onder water.
7 Voordat je hier kunt bouwen, mag er geen water meer staan.
8 Ik vind het een goed idee om een waterwoning te kopen.