Iedereen kan leren schrijven

In de kring

De opstelling van een kring

In groep 6 gaat het over meten. Op de kast heeft meester Leo een papier met centimeters geplakt. De kinderen die ’s morgens de klas binnenkomen beginnen spontaan elkaar te meten. Als even later de les begint zegt Leo dat we vandaag op volgorde van lengte in de kring gaan zitten. De kinderen die net gemeten zijn weten hun lengte al, de andere kinderen worden alsnog gemeten. Twee kinderen krijgen de taak dat te doen. Twee andere kinderen krijgen de taak de kinderen in de juiste volgorde in de kring te zetten. Er wordt veel bij gepraat: 'ben jij al gemeten, hoelang ben je, hij moet hier want hij is langer dan jij.' Kinderen worden ergens neergezet met hun stoel en moeten later toch weer van plaats veranderen omdat er nog een groter of juist kleiner kind tussen moet. Leo en ik kijken toe, de kinderen hebben ons niet nodig. Na een kwartier zit iedereen op de goede plek. Leo geeft de klas een compliment omdat ze het zo snel hebben gedaan. Hij zegt dat de klas die hij vorig jaar had er veel langer over deed. Ik weet wel hoe dat komt, dit is een heel ervaren taalvormingsklas. Zelfstandig een kring op volgorde maken, dat konden ze in groep vier ook al. Elke keer valt me weer op hoe actief en betrokken de kinderen meteen zijn aan het begin van de ochtend. Zitten ze anders aan het begin van een kringgesprek nog wel eens onderuit gezakt te gapen, zodra er een beroep op hen gedaan wordt bij het maken van de kring, zijn ze alert en er bij.

 

Ik vraag de kinderen in groep 3 om een dier te bedenken dat ze graag willen zijn en dat op een klein blaadje te tekenen, zonder erover te praten met buren. Dat doen ze precies. Ik vraag of alle dieren die kunnen vliegen in de kring willen komen zit­ten. Er komen drie kinderen met hun stoel in de kring. Daarna alle dieren die heel hard kunnen rennen. Dan dieren met een vacht. Het woord 'vacht' kennen de meesten niet; een kind zegt: 'wol'. Ik zeg: ja, een soort wol op de huid van een dier, haartjes, die lekker voelen om te aaien. Een poes heeft bijvoorbeeld een vacht. We bedenken nog meer categorieën dieren, zolang er nog kinderen aan hun tafel zitten. Hele grote dieren, hele kleine dieren. Dieren die gevaarlijk zijn. Dieren die kunnen zwemmen. Dieren met acht poten. Tenslotte zit iedereen in de kring.

 

Het bevalt me soms goed om in een klas vol tafelgroepjes te beginnen met een opdracht die in de groepjes moet worden gedaan. Iedere vorm van overleg in groepjes is een oefening voor samenwerken. Ik vraag in groep 5 of ze de alfabetische volgorde van de namen in hun groepje willen vaststellen. Best lastig, maar ze gaan het meteen doen. De zo ontstane volgordes van kinderen gebruik ik om in de kring te komen. Eerst alle nummers een van elk groepje. Dan de nummers twee, enzovoort. Ik voorkom zo dat de kinderen van een groepje naast elkaar komen. Het is heel onvoorspelbaar wie naast wie komt.

 

Meester Theo zit met zijn kleuters in de kring. Hij kijkt de kring rond naar de voeten van de kinderen en zegt: 'Vikram heeft blote voeten, wie heeft dat ook?' Niemand, iedereen heeft sokken aan. De kring begint vandaag bij Vikram. Meester Theo gaat verder: 'Doen jullie je broekspijp omhoog, zo hoog mogelijk. Wie heeft de langste sokken?' De kinderen trekken hun sokken zo hoog mogelijk op. Theo loopt langs en meet de sokken en moedigt aan om de sokken nog verder op te trekken. Zodra hij een kind met hele korte sokjes tegenkomt mag die naast Vikram zitten. Daarna zet Theo de kinderen in volgorde van korte naar lange sokken. Meester Achmed pakt een liniaal en meet de sokken. De kinderen volgen de verrichtingen van meester Theo en Achmed gespannen. Maar ze letten ook goed op elkaar, raken met elkaar in discussie over wie zijn sokken langer zijn. Ze gaan erbij staan met de benen tegen elkaar om te zien wie zijn sokken het langst zijn. Halverwege zegt Theo: 'als je denkt dat je lange sokken hebt mag je alvast aan de overkant van Vikram zitten.' De kinderen roepen: 'De mijne zijn langer, mijn zijn even lang, ik heb korte.' Als iedereen zit houdt Theo nog een controlerondje. 'Klopt het? Is jouw sok langer? Nee? Dan moeten jullie omwisselen.' De kinderen zijn wakker, klaar voor wat er verder komen gaat.

 

Ik vraag of iedereen in groep 8 de cijfers van zijn geboortedatum, zonder de 19, bij elkaar op wil tellen. Ik doe het voor op het bord: ik ben op 15-01-52 geboren. Dat is samen 68. De kinderen beginnen meteen te rekenen, een paar kinderen pakken er een kladblaadje bij. De kinderen komen in volgorde van de som in de kring zitten. Daarbij vindt veel overleg plaats.

Vaak wordt een kring in een groep altijd op dezelfde manier gemaakt. Bijvoorbeeld door de kinderen een zogenaamde jongen-meisjekring te laten maken of door kinderen per tafelgroepje hun stoel te laten neerzetten. In een grote groep of een krap lokaal kan dat de snelste en rustigste manier zijn. Toch wordt de invloed die dat heeft op de communicatie in de kring vaak onderschat.

Naast wie je zit maakt uit voor hoe je je voelt. Daarom maken kinderen er ook vaak zo'n punt van. Als je altijd naast dezelfde kinderen zit en uitkijkt op dezelfde kinderen aan de overkant, blijft de manier waarop je vertelt en luistert ook gauw hetzelfde. Bij drukke kinderen valt dat het meest op, omdat ze andere kinderen storen. Die worden nogal eens uit elkaar gezet. Maar ook minder storende opstellingen kunnen invloed hebben: beste vriendinnen die alsmaar smoezen of aan elkaar zitten   vriendengroepjes die kinderen uitsluiten of non-verbaal naar elkaar zitten te seinen.

Als je elke keer de opstelling verandert, krijgen zulke patronen minder kans. En ook bij tweetalgesprek­ken praten dan kinderen met elkaar die dat anders nooit doen. Als je van de kringopstelling een vaste werkvorm maakt aan het begin van een taalronde, wordt het een spel dat kinderen activeert in plaats van een preventieve maatregel die wordt opgelegd. In een grote groep vier zetten wij de stoelen altijd van tevoren in een kring, en stond elke keer een nieuwe opdracht op het bord als de kinderen binnenkwamen: op kleur zitten van sokken, op huisnummer, jongens en meisjes om en om, op alfabetische volgorde van de voorletter van je moeder. De kinderen regelden het zelf met groot enthousiasme voor de taalronde begon.

Alles waar een volgorde in valt aan te brengen kan je gebruiken. Van klein naar groot, van a tot z, van 1 tot 1000, van licht naar donker, van januari tot december. Aantallen broertjes, knopen, kledingstukken, kamers in je huis, tijden dat je naar bed bent gegaan of opgestaan, andere rangschikkingen van kleuren, vormen of lengtes, talen die in de klas gesproken worden, voorwerpen die bij elkaar horen. Een kring op je lievelingseten is lastig, omdat er moeilijk een volgorde of rangschikking in te maken valt. Kinderen kunnen zelf heel goed worden in het bedenken van kringvolgordes - het is een uitdagende, talige denkopdracht voor alle leeftijden. Het kan leiden tot intensieve gesprekken over categorieën en ordeningen.

Niet altijd gaat het probleemloos. Soms kan een groep de vrijheid niet aan, is er angst om het verlies van territorium (je eigen stoel bijvoorbeeld) en ontstaan chaos en lawaai. Ook kan een opdracht onbedoeld leiden tot een minder gelukkige opstelling, die het verdere verloop negatief beïnvloedt. Dat kan een reden zijn om de kringopstelling achterwege te laten of uit te stellen.