In de kring
Veiligheid in de kring
Er zijn zes kinderen ziek in de SBO-groep en daardoor zitten we met een groepje van maar negen kinderen, plus de juf en ik om de tafel. Het is wel gezellig, heel intiem. De kinderen zijn in een vertellerige stemming. Ze bekijken de boekjes met eigen teksten die op tafel liggen en ik vraag of dat van vorige week nog is voorgelezen. Het blijkt van niet. Ik lees voor en laat tekeningen zien. Er is veel belangstelling. Ook Nicky, die de vorige keer het grootste deel van de tijd boos was, is vriendelijk en open. Tijdens een korte discussie naar aanleiding van een tekst, over de vraag of trapjes van parkieten nu van hout of van ijzer zijn, merk ik hoe zo'n positieve sfeer ook kwetsbaar is: Sylvester voelt zich plotseling aangevallen door een reactie van een ander en valt boos uit. Terwijl het duidelijk niet vijandig bedoeld is. De prettige sfeer moet gekoesterd en beschermd worden. Ik merk hoe de juf daar voortdurend op let en laveert tussen de grote kwetsbaarheden van de kinderen. In het speciaal onderwijs is het bewaken van de positieve sfeer extra belangrijk. Een begeleider moet evenveel letten op het gedrag van de kinderen als op de inhoud van wat ze zeggen. Als juf Annebeth in groep 3 aan Ilias vraagt waar zijn poes slaapt, zegt Danny steeds: 'in het hok.' Na de vierde keer schudt Ilias zijn hoofd. Danny bedenkt iets voor Ilias wat niets met de ervaring van Ilias te maken heeft. Op dit moment had Danny uitgenodigd kunnen worden om een vraag te stellen aan Ilias. Op die manier ontwikkelt Danny belangstelling voor de ervaring van Ilias en voelt Ilias zich meer gesteund dan wanneer iemand anders het wel even voor hem zal zeggen. Als Annebeth met de kinderen een aantal afspraken heeft gemaakt, verloopt het gesprek rustiger en meer ontspannen. De kinderen nemen niet langer het woord voor elkaar, maar luisteren naar wat een kind vertelt, ze steken hun vinger op als ze zelf iets willen vertellen. |
Als het je doel is dat kinderen iets over zichzelf vertellen, is het belangrijk dat de sfeer veilig is. Die veiligheid raakt aangetast als kinderen voor elkaar het woord gaan nemen, ook al is het misschien bedoeld als hulp. En natuurlijk ook als kinderen negatief commentaar geven op elkaars bijdragen, elkaar uitlachen of elkaar proberen af te troeven.
Afspraken dragen bij aan een sfeer van veiligheid. Het is in alle groepen zinvol om af en toe te wijzen op basis-gespreksregels, zoals het laten uitpraten van een ander, je vinger opsteken als je iets wilt zeggen of vragen, niet voor een ander gaan invullen. In sommige groepen kan het nodig zijn om een tijdje gericht te werken aan de uitvoering van zulke regels.
Je laat een regel weer los op het moment dat die tegen je doel ingaat. Als je je hardop iets afvraagt om de kinderen te activeren, en het effect daarvan is dat de kinderen met allerlei voorstellen en oplossingen komen, dan zit de regel ‘eerst vinger opsteken’ in de weg. Een flexibele omgang met regels, waarbij je de reden voor het vasthouden of loslaten expliciet benoemt, werkt ook mee aan een veilige sfeer.
De rol van de begeleider bestaat niet alleen uit het stellen en handhaven van regels, maar meer nog uit het scheppen van een sfeer waarin kinderen zich goed en geaccepteerd voelen. Spreken op een vriendelijke toon, echt ingaan op waar kinderen mee komen, vragen stellen uit nieuwsgierigheid, waardering uitspreken, dat werkt daar allemaal aan mee.
Kinderen voelen zich veilig als ze niet onder druk gezet worden om te vertellen. Als ze niet een prestatie hoeven te leveren. Als een kind in de vertelronde niets weet te vertellen, kan je zeggen dat hij even mag nadenken en dat je straks bij hem terugkomt om te kijken of hij dan misschien nog iets wil zeggen.