Iedereen kan leren schrijven

In de kring

Een taalronde die gewoon niet gaat

Ik twijfel tot het laatste moment of ik nu wel of niet in groep 6 een kring zal maken. Ik vind het druk, maar vind ook dat dat nadeel niet opweegt tegen het voordeel dat iedereen elkaar kan zien. Mijn twijfelachtige houding van vandaag speelt de hele les door: ik zwiep de hele tijd van de ene beslissing naar de andere. De eerste beslissing is: wel in de kring.

De kring maken is snel gebeurd, dat zijn ze nu gewend. Een paar kinderen zeggen gelijk al op welke volgorde ze willen zitten: op achternaam, op geboortedatum. Ik ga er nog niet op in. Daan zegt: ’laten we gewoon zo blijven zitten’. Ik twijfel weer en neem de verkeerde beslissing: we gaan op volgorde van verjaardag zitten. Dat blijkt veel gedoe met zich mee te brengen, bijvoorbeeld als er ergens een klont jongens ontstaat. Er is ook regelrechte sabotage. Elsa heeft gezien dat ze tussen jongens terecht komt en blijft gewoon op haar stoel zitten. Het doel van de kring veranderen is dat de kinderen af en toe naast iemand anders komen te zitten en dat ze eraan gewend raken dat ze met iedereen kunnen praten. Kortom: tegen de kliekjesvorming en het jongens- en meisjesgedoe. Vandaag heeft het een averechts effect: er is een hoop geduw en getrek, men bemoeit zich met elkaar, territoria worden verdedigd (niet met je sokken tegen mijn tafel!), de kliekjes roepen naar elkaar over de kring heen. Dus ze hadden beter kunnen blijven zitten.

 

De klierige stemming zit er nu goed in, dus als ik zeg dat ik een boek bij me heb, roept de helft: ‘neeee’ en de andere helft ‘jaaaa’. Ik twijfel weer en besluit niet voor te lezen maar het onderwerp te nemen, waar ik vanochtend even aan dacht: iemand op dezelfde plek steeds tegenkomen. Ook hier heb ik achteraf weer spijt van: de les die ik had voorbereid over ‘trappen’ was veel meer gestructureerd en op dit moment is dat wat de klas nodig heeft.

Maar goed, ik vertel over vanochtend: voor de derde keer in een week kwam ik Rik uit de klas tegen op de hoek van het fietspad. Ik vertel hoe dat ging en vraag wie er ook weleens iemand tegenkomt op dezelfde plek. Een paar kinderen vertellen. Nancy vertelt van een man die altijd ergens staat als ze naar school staat. En een uur later staat hij altijd weer ergens anders. Ik vraag hoe hij eruit ziet. ‘Een beetje oude kleren en bruin’. Joris krijgt een beurt en zegt dat hij altijd zijn huis tegenkomt. Bij hem is de stemming al zover doorgeschoten, dat het niet meer serieus kan worden. Er komen ook dieren bij: de poes die altijd de deur uit komt als je thuis komt, de muis die altijd om eten piept. Op zich zijn er veel kinderen die associaties hebben, het aantal vingers groeit, maar het blijft rommelig: de kinderen reageren op elkaar op een manier die onduidelijk is voor mij. Er moet meer structuur in de werkvormen, denk ik achteraf. Bijvoorbeeld: iemand vertelt een verhaal en twee kinderen mogen er een vraag over stellen. De vragen moeten inhoudelijk zijn en geen geintjes of bemoeienissen. Maar ja, achteraf komt de wijsheid, op het moment voelt het als doormodderen.

Of een taalronde lekker loopt en opbrengt waarvoor hij bedoeld is, is nooit te voorspellen. Dat komt doordat veel afhangt van een goede sfeer, en een positieve stemming bij alle deelnemers. Ook jouw eigen stemming als begeleider speelt een grote rol. Als kinderen ruzie hebben of vlak ervoor een toets gehad hebben, als jij slecht geslapen hebt of in een introverte bui bent, als het stormt of bloedheet is, dat kan allemaal zorgen voor een slechte concentratie in de kring. Soms valt dat weer te overwinnen, bijvoorbeeld als iets ter sprake komt dat iedereen ineens heel interessant vindt, of gaat het weer goed als iedereen gaat schrijven. Maar soms lukt dat niet en voelt het of je je van werkvorm naar werkvorm sleept, omdat je dat nu eenmaal met jezelf had afgesproken.

Als een taalronde echt niet goed voelt, en jij je niet in staat voelt er een draai aan te geven, kan je gewoon stoppen. Dat betekent niet dat je het niet goed gedaan hebt of dat het nooit kan werken met deze groep. Het betekent ook niet dat je het 'verloren' hebt van herriemakers. Je kunt voor jezelf nagaan wat de oorzaken waren, en dat onthouden voor de volgende keer. En vooral: je kunt aan de kinderen voorleggen wat er volgens jou niet goed gaat en waarom je ermee stopt.

Omgekeerd kan er op een onverwacht moment zo'n goede vertelsfeer in een groep ontstaan, dat je kunt overwegen om ad hoc een taalronde te doen en gestructureerd te laten vertellen en schrijven. De productiviteit van een taalronde staat of valt met de betrokkenheid van de kinderen, en die valt nu eenmaal niet altijd precies in te plannen.