Hulpverleners gebruiken vaak vragenlijsten om snel en doeltreffend informatie te krijgen over het kind. Alice van der Pas deed ooit een oproep om alle vragenlijsten voor ouders te voorzien van een waarschuwingssticker met het woord ‘ouderonvriendelijk’. Formuleer mogelijke betekenissen die vragenlijsten kunnen oproepen bij ouders. Waarop kun je letten als je ouders vraagt om dergelijke lijsten in te vullen?
Wat zijn tegenwoordig de gangbare ‘ingrediënten’ van goed moederschap en vaderschap? Wat zijn de sociale instructies voor moeders, vaders, stiefmoeders en pleegouders? Wat krijgen ze te horen over hoe ze zich moeten gedragen tegenover hun kinderen en hun gezin? Geef een paar voorbeelden van de invloed die het al dan niet voldoen aan deze instructies heeft op hoe ouders zichzelf ervaren.
Is een vertrouwensband of wederzijds vertrouwen een noodzakelijke voorwaarde voor een goede samenwerking en goede ouderbegeleiding?
Waarom is het belangrijk om het probleem en niet de ouders als probleem te zien?
Weerstand wordt vaak gezien als een moeilijkheid bij de ouder, terwijl we weerstandgedrag ook kunnen opvatten vanuit een collaboratieve benadering. Weerstandsgedrag bij ouders wordt dan beschouwd als een signaal voor de hulpverlener dat hij bepaalde aspecten van het verhaal van de ouder nog niet voldoende gehoord of begrepen heeft. Waarom vertonen ouders weerstandsgedrag?
Het gebruik van vragenlijsten kan enerzijds als zeer erkennend ervaren worden: ‘Deze hulpverleners nemen onze zorgen serieus.’ Anderzijds kan het voor ouders ook een confrontatie inhouden: ‘Het gaat niet goed en dat ligt mogelijks aan ons.’ Ouders kunnen zeer argwanend zijn over wat er met de vragenlijsten gebeurt, hoe ze geïnterpreteerd zullen worden, wie ze allemaal te zien krijgt… Het is dus belangrijk dat ouders een helder beeld hebben van hoe de lijsten worden ingezet en waartoe dit kan leiden. Anders kunnen zij zich overgeleverd voelen aan de hulpverlening en komt de samenwerking onder druk te staan.
Ingrediënten en sociale instructies ‘goed moederschap’: luisterend oor voor de kinderen, zorgen voor alle ontwikkelingskansen, stimuleren van de ontwikkeling, een goede hechtingsrelatie, een sterke emotionele band, weten wat zich in het kind afspeelt, het dagelijks gezinsleven organiseren, de praktische ‘was en plas’.
Voorbeeld van de impact van deze sociale instructies: het moment dat een moeder telefoon krijgt van school: ‘Kunt u komen praten, want uw kind wordt al maanden gepest’ en zij weet helemaal van niks. Dit is een moment dat zij zich voelt falen als moeder, want volgens de sociale instructies behoort zij haar kind het best te kennen en te weten wat in hem of haar omgaat.
In de dagelijkse praktijk is een vertrouwensrelatie vaak geen noodzakelijke voorwaarde om daadwerkelijk hulp te bieden. De afwezigheid van een vertrouwensrelatie maakt hulpverlening in veel concrete situaties niet onmogelijk. Bij een te eenzijdige nadruk op de vertrouwensband met de ouder wordt vertrouwen een te zware eis die het hulpverleningsgebeuren kan belemmeren. Het is natuurlijk een meerwaarde als er een vertrouwensrelatie ontstaat, maar vertrouwen is geen doel op zich. In sommige situaties is het gezien de voorgeschiedenis van ouders bovendien niet ‘slecht’ dat zij de hulpverlener niet vertrouwen. Ouders mogen grondig onderzoeken of de hulpverlener te vertrouwen is en mag zelfs concluderen dat ze deze niet (altijd) vertrouwen. Dat hoeft een werkalliantie niet te verhinderen.
Dit geldt ook in de andere richting: als hulpverlener hoeven we een ouder niet helemaal te vertrouwen om met hem te kunnen samenwerken. We kunnen wel een context creëren waarin de ouder steeds meer iemand wordt met wie samen te werken valt en eventueel ook als iemand die te vertrouwen is binnen deze samenwerkingsrelatie. Vertrouwen kan gedurende het begeleidingsproces groeien.
Cliënten geloven dat problemen in hun leven de reflectie zijn van:
- hun eigen identiteit: ik ben geen goede moeder;
- de identiteit van anderen: mijn man neemt zijn verantwoordelijkheid niet;
- de identiteit van hun relaties: we hebben een slechte relatie.
Dit geeft mede vorm aan hun inspanningen om moeilijkheden op te lossen en hierdoor nemen de problemen vaak toe. Problemen geraken steeds dieper geïnternaliseerd doordat ze worden verbonden met de eigen persoonlijkheidskenmerken en karaktertrekken. Externaliserende conversaties werken als antidotum tegen dit internaliserend begrijpen door de problemen te objectiveren in plaats van de ouders. Tegelijk bieden ze de mogelijkheid om een aantal negatieve conclusies omtrent de identiteit van de ouders te ontrafelen. We leggen het probleem op de onderzoekstafel, niet de ouders. Dit maakt het mogelijk dat de ouder de expert blijft met betrekking tot het probleem en dat reflectieruimte ontstaat. Er kan erkenning komen voor de impact en de effecten van het probleem. Het maakt het mogelijk met de ouder te exploreren wat en hoe hij zich tegenover het probleem wil verhouden.
- De hulpverlener sluit onvoldoende aan bij de leef- en betekeniswereld van de ouders (ontkennen van de inzet van ouders, voorbijgaan aan het lastverhaal). De ouder signaleert: ‘Hulpverlener, je hebt het nog niet goed begrepen!’
- Het niet erkennen van de deskundigheidspositie van de ouder omtrent de betekenis voor hun leven. De ouder signaleert: ‘Hulpverlener, je denkt het allemaal beter te weten!’
- De haalbaarheid van ideeën en voorstellen of het tempo waarmee deze ingebracht worden. ‘Hulpverlener, ik begrijp jou niet!’, ‘Hulpverlener, wat jij vraagt/voorstelt lukt ons niet!’ of ‘Hulpverlener, je gaat te snel!’