Nederlands in actie

Extra opdrachten

Hoofdstuk 3

Werkwoorden - Opdracht 3

Regelmatige en onregelmatige werkwoorden

Presens » imperfectum
Zet de zinnen in het imperfectum. Let op: in deze opdracht staan regelmatige en onregelmatige werkwoorden.

Als je het antwoord niet weet, kun je op ‘hint’ klikken.
Klik op ‘controleer’ als je klaar bent.

Voorbeeld:
Hij zeurt over het weer.
Hij zeurde over het weer.

1. Hij grijpt meteen haar hand.
Hij meteen haar hand.

2. Ik stel je gebaar heel erg op prijs.
Ik je gebaar heel erg op prijs.

3. Deze kaartjes gelden alleen in het weekend.
Deze kaartjes alleen in het weekend.

4. Onbewust reken ik op de hulp van mijn omgeving.
Onbewust ik op de hulp van mijn omgeving.

5. We moeten alles precies andersom doen.
We alles precies andersom doen.

6. De bomen buigen door de harde wind.
De bomen door de harde wind.

7. Hij wil hoe dan ook niet praten over zijn gevoel.
Hij hoe dan ook niet praten over zijn gevoel.

8. Hij vindt zichzelf helemaal geen zeikerd.
Hij zichzelf helemaal geen zeikerd.

9. Ze slaat haar armen om hem heen om hem een knuffel te geven.
Ze haar armen om hem heen om hem een knuffel te geven.

10. In de vakantie hoef ik niet vroeg uit bed te komen.
In de vakantie ik niet vroeg uit bed te komen.