Nederlands in actie

Extra opdrachten

Hoofdstuk 5

Grammatica - Opdracht 1

Zin met Er maken (presens)
Maak dezelfde zin, maar dan met er aan het begin.
Sluit de zinnen af met een punt, anders rekent het programma je antwoord niet goed.

Als je het antwoord niet weet, kun je op ‘hint’ klikken. Je ziet dan de volgende goede letter. Als je het hele goede antwoord wilt zien, kun je op ‘antwoord’ klikken.
Klik op ‘controleer’ als je klaar bent.

1. Wat ligt er op tafel? (een boek)


2. Wat zat er in je tas? (twee pennen)


3. Wat staat er in je kast? (veel boeken over Nederland)


4. Was er brood? (Nee,)


5. Hoeveel wachtenden zijn er voor je? (vier)


6. Wat zit er in dat doosje? (een cd)


7. Wat ligt er op de grond? (een papiertje)


8. Is er vanavond les? (Ja,)


9. Hoeveel testen zijn er in deze cursus? (drie of vier)


10. Hoeveel buitenlanders wonen er in Nederland? (veel)