Nederlands in actie

Extra opdrachten

Hoofdstuk 5

Vocabulaire - Opdracht 3

Maak de zinnen compleet door een werkwoord in te vullen.

Als je het antwoord niet weet, kun je op ‘hint’ klikken.
Klik op ‘controleer’ als je klaar bent.

Kies uit: afraden – bestrijden – bewijzen – opgroeien – overschakelen – tekenen – terechtkomen – vaststellen – verlaten - verzamelen

1. Als je mijn advies zou vragen, zou ik dat middel tegen hoofdpijn .

2. Met een internationale baan kun je overal .

3. Als het te moeilijk wordt, kunnen we altijd op Engels.

4. Wij het idee dat alle Nederlanders van schaatsen houden. Onze buren houden bijvoorbeeld geheel niet van schaatsen.

5. Vlada, Elizabeth en Máxima hebben hun eigen land voor de liefde .

6. Vroeger vond ik het leuk om grappige kaarten uit de hele wereld te .

7. Kun jij bij jezelf ook dat je van persoonlijkheid wisselt als je Nederlands spreekt?

8. Ik vind het belangrijk dat mijn kinderen in een vrij land .

9. De onderzoekers kunnen het niet maar ze denken dat taal invloed heeft op gedrag.

10. Zijn dochter is heel creatief. Ze kan bijvoorbeeld heel mooi dieren .