Nederlands in actie

Extra opdrachten

Hoofdstuk 6

Grammatica - Opdracht 2

Vul het juiste relatief pronomen in.

Als je het antwoord niet weet, kun je op ‘hint’ klikken.
Klik op ‘controleer’ als je klaar bent.

1. Ik heb een broer. Iedereen vindt mijn broer aantrekkelijk.
Ik heb een broer iedereen aantrekkelijk vindt.

2. Jessica is een meisje. Jessica speelt trompet in een fanfare.
Jessica is een meisje trompet in een fanfare speelt.

3. Ik zoek een vriend. Ik kan met de vriend over politiek discussiëren.
Ik zoek een vriend ik over politiek kan discussiëren.

4. Jessica maakt grappen. Sander moet om de grappen lachen.
Jessica maakt grappen Sander moet lachen.

5. Ik ga vaak met vrienden naar dat café. In het café hebben ze lekker bier.
Ik ga vaak met vrienden naar dat café ze lekker bier hebben.

6. In het boek staat het gedicht. Het gedicht is geschreven in 1890.
In het boek staat het gedicht in 1890 geschreven is.

7. Migrantenkinderen hebben conflicten met hun ouders. Andere kinderen hebben ook conflicten met hun ouders.
Migrantenkinderen hebben conflicten met hun ouders andere kinderen ook hebben.

8. Ik wil graag een foto. Op de foto staat mijn hele familie.
Ik wil graag een foto mijn hele familie staat.

9. We gaan naar een land. Het is niet koud in dat land.
We gaan naar een land het niet koud is.

10. Ik zoek iemand. Ik kan verliefd op hem worden.
Ik zoek iemand ik verliefd kan worden.