Nederlands in actie

Extra opdrachten

Hoofdstuk 6

Werkwoorden - Opdracht 3

Regelmatige en onregelmatige werkwoorden

Imperfectum » perfectum
Zet de zinnen in het perfectum. Let ook op hebben en zijn.

Als je het antwoord niet weet, kun je op ‘hint’ klikken.
Klik op ‘controleer’ als je klaar bent.

Voorbeeld:
Ze ondervroeg ouders uit diverse culturen.
Ze heeft ouders uit diverse culturen ondervraagd.

1. Na haar depressie klom ze langzaam weer omhoog, naar een gewoon leven.
Na haar depressie ze langzaam weer omhoog , naar een gewoon leven.

2. De verschillen in achtergrond en opleiding leidden eigenlijk nooit tot grote conflicten.
De verschillen in achtergrond en opleiding eigenlijk nooit tot grote conflicten .

3. Hij woonde tot zijn dertigste bij zijn ouders, maar dat is in zijn cultuur niet vreemd.
Hij tot zijn dertigste bij zijn ouders , maar dat is in zijn cultuur niet vreemd.

4. Ik zag Alicia vaak in het café, maar ik durfde nooit op haar af te stappen.
Ik Alicia vaak in het café , maar ik durfde nooit op haar af te stappen.

5. Ze lag drie weken in bed toen hun relatie was gestrand.
Ze drie weken in bed toen hun relatie was gestrand.

6. Ze scheidden toen bleek dat hun relatie hopeloos was.
Ze toen bleek dat hun relatie hopeloos was.

7. Ze bediende hem in het café waar ze werkte en zo kregen ze contact.
Ze hem in het café waar ze werkte en zo kregen ze contact.

8. Hij beschouwde haar heel lang als zijn vriendin, maar voor haar voelde dat niet zo.
Hij haar heel lang als zijn vriendin , maar voor haar voelde dat niet zo.

9. We wisselden telefoonnummers uit en dat was dat.
We telefoonnummers en dat was dat.

10. Hij was heel lang vrijgezel.
Hij heel lang vrijgezel .