Nederlands naar perfectie

Hoofdstuk 3

Opdracht 5 ‘Er’

Extra oefening met ‘er’ als vooruitwijzer

Maak correcte zinnen. Gebruik de gegeven woorden en voeg ‘er’ + ‘dat’ of ‘er’ + ‘om … te’ toe.

Klik op 'Extra letter' of op '[?]' als je het antwoord niet weet. Let op: de knop '[?]' toont het goede antwoord.

1. Sander (verantwoordelijk zijn voor) dat het project goed loopt.
2. De organisatie (rekening houden met) dat sommige deelnemers met de trein komen.
3. Hij (niet denken aan) om het raam dicht te doen.
4. Lynn (staan te kijken van) dat haar dochtertje van tien maanden al kan lopen.
5. We (het eens zijn over) dat we dit jaar minder geld aan etentjes moeten uitgeven.
6. De secretaresse (zorgen voor) dat iedereen de documenten ontvangt.
7. Kinderen (dol zijn op) om buiten rond te rennen.
8. Hij (op de hoogte zijn van) dat de vergadering een uur later begint.
9. We (streven naar) om de deadline van morgenavond te halen.
10. Ik (uitgaan van) dat ze morgen weer op kantoor is.