Nederlands op niveau

Hoofdstuk 3

Vocabulaire

Opdracht 1

Welke adjectieven passen bij de volgende zinnen? Kies uit:

braaf gelijkwaardig moeizaam ontroerend opzichtig pittig uitbundig zielig

Klik op 'extra letter' als je het antwoord niet weet.

Als je klaar bent met de opdracht klik je op 'controleer' om je antwoorden te controleren.


1. Ze had haar examen gehaald. Ze heeft het groots gevierd.


2. Het project ging niet gemakkelijk. Het kostte veel tijd en energie.


3. Ik had tranen in mijn ogen. Het was een emotioneel moment.


4. Ze draagt altijd kleurrijke jurken met een grote hoed en veel sieraden.


5. Het eten is lekker, maar wel een beetje scherp.


6. Hij doet altijd wat hem gezegd wordt. Hij protesteert nooit.


7. Jongens en meisjes worden op dezelfde manier behandeld.


8. Ze mocht niet mee op excursie. Ze moest alleen thuisblijven.