Nederlands op niveau

Hoofdstuk 3

Vocabulaire

Opdracht 2

Vul het juiste werkwoord in. Kies uit:

benadrukken klussen ontkomen opmaken opvangen overtuigen uitgaan verdelen verpesten versieren zwerven

Klik op 'extra letter' als je het antwoord niet weet.

Als je klaar bent met de opdracht klik je op 'controleer' om je antwoorden te controleren.


1. In huis of in een schuur kun je .

2. Aan een brand of een ongeluk kun je .

3. Dat kun je uit de tekst of uit zijn woorden .

4. Water en dieren kun je .

5. Je kunt van voldoende belangstelling en genoeg deelnemers.

6. Je kunt taken en taart .

7. Je kunt een kamer maar ook een man of vrouw.

8. Ik wil dat belang en die woorden .

9. Je kunt je gesprekspartner of een klant .

10. Je kunt de sfeer of een feestje .

11. Mensen kunnen , maar dat geldt ook voor afval.