Portaal

Hoofdstuk 2

Klinkers en medeklinkers

Hier vind je meer achtergrondinformatie over klinkers, tweeklanken, medeklinkers en uitheemse klanken.

Fonologie

De kleinste taaleenheid is het foneem oftewel de spraakklank. Het Nederlands heeft veertig van dergelijke fonemen. Daarmee kunnen we alle woorden maken van het Nederlands.

De fonemen kunnen we onderscheiden in:

  • klinkers (of vocalen);
  • tweeklanken (of diftongen);
  • medeklinkers (of consonanten).

Bij de klinkers en tweeklanken trillen de stembanden en wordt de uitstromende adem nergens belemmerd. Door de stand van de lippen en de tong worden verschillende klinkers gevormd.

We kennen in het Nederlands de volgende klinkers:

/a/         bak

/aa/       baak

/e/         pet

/ee/      peet

/ee/      beer

/i/           pit

/ie/        piet

/o/         top

/oo/      boot

/u/         put

/uu/      uw

/eu/      leuk

/oe/      boek

/ə /        de, heerlijk (de sjwa)

Merk op dat de /ee/ in peet anders uitgesproken wordt dan in beer. Bij het laatste woord treedt een ‘verkleuring’ op waardoor de klank een beetje lijkt op een verlengde /i/. Kinderen uit groep 3 schrijven dan ook nogal eens bir in plaats van beer. Daaraan kun je zien dat ze zorgvuldig luisteren en dan de letters bij de geanalyseerde klanken zoeken.

Tweeklanken bestaan uit twee klinkers die op één ononderbroken adem worden uitgesproken en waarbij de ene klinker hoorbaar overgaat in de andere. De tweeklanken zijn:

/ei/        klein, fijn

/ui/        ruit

/aai/      fraai

/ooi/     mooi

/oei/     foei

/ou/      goud, flauw

/eeu/    meeuw

/ieu/     nieuw

Medeklinkers kunnen stemhebbend of stemloos zijn. Bij de /z/ trillen de stembanden bijvoorbeeld, bij de /s/ niet. Andere stemloze medeklinkers zijn: /p/, /t/, /k/, /f/, (stemloze) /g/.

De medeklinkers onderscheiden we verder op grond van de plaats in het stemorgaan (de mond en de keelholte) waar ze worden gevormd in:

  • bilabialen, die met beide lippen worden gevormd: de /p/, /b/, /m/, /w/;
  • labiodentalen, die met de onderlip en de boventanden worden gevormd: de /f/ en /v/;
  • dentalen, die met de tongpunt en de achterzijde van de boventanden worden gevormd: de /t/, /d/, /s/, /z/, /l/, /r/ en /n/;
  • palatalen, die met het tongblad en het harde gehemelte worden gevormd: de /tj/, /kj/, /sj/, /zj/, /j/, /nj/;
  • velaren, die met het tongblad en de grens van het harde en zachte gehemelte worden gevormd: de /k/, /ch/, /g/, /ng.

 

We onderscheiden:

  • explosieve medeklinkers: medeklinkers waarvan je de klank niet lang kunt aanhouden, zoals de /t/, /d/, /p/, /b/, /k/. Je hoort een klein plofje als je deze klanken maakt;
  • neusklanken: de /m/, /n/, /ng/: deze kunnen langer aangehouden worden;
  • glijders: de /w/, /f/, /v/, /s/, /z/, /l/, /ch/, /g/: ook deze kunnen langer aangehouden worden.

De /h/ neemt een aparte plaats is. Het is een stemloze glijder. De /w/ en de /j/ worden ook wel halfvocalen genoemd.

De taalgebruiker kan spraakklanken herkennen (bij het luisteren) en gebruiken (bij het spreken). Iemand die Nederlands leert als eerste taal, leert meestal en schijnbaar moeiteloos alle combinaties van spraakklanken die typerend zijn voor het Nederlands. Zo weet hij dat /rst/ een veelgebruikte combinatie is, maar dat /rfst/ bijna niet voorkomt.

De taalgebruiker weet ook dat de uitspraak van de klanken afhangt van de klanken in de buurt. Dit verschijnsel dat spraakklanken invloed op elkaar uitoefenen, wordt assimilatie genoemd. We geven enkele voorbeelden.

  • Het foneem /ee/ in beek wordt geschreven als ‘ee’, net zoals in beer, maar hetzelfde foneem klinkt in beide woorden anders. Dat komt doordat de /k/ die volgt op de /ee/ de vorming van de klank anders beïnvloedt dan de /r/ dat doet.
  • De /v/ in uitvinden wordt uitgesproken als een /f/ doordat hij direct volgt op de stemloze /t/.
  • De /n/ in onmiddellijk is in de uitspraak niet te horen.