Portaal

Hoofdstuk 2

Vervoeging en verbuiging

Hier vind je meer informatie over de vervoeging van werkwoorden en de verbuiging van zelfstandige naamwoorden en bijvoeglijke naamwoorden.       

De vervoeging van werkwoorden is in het Nederlands nogal ingewikkeld: er zijn regelmatige werkwoorden (ook wel zwakke werkwoorden genoemd) en onregelmatige werkwoorden (ook wel sterke werkwoorden genoemd).

Voor het vervoegen van werkwoorden gaan we uit van de stam van het werkwoord. Die stam wordt verkregen door de /ə/+ n van het hele werkwoord zoals dat wordt uitgesproken weg te laten. (Let wel: de stam is niet hetzelfde als de ik-vorm van het werkwoord, zoals in sommige basisschoolmethodes nog steeds wordt geleerd.) 

Hele werkwoord Stam van het werkwoord
lopen     loop
fietsen fiets
schrobben schrob
leven               leev
vinden   vind
reizen    reiz

Bij de regelmatige werkwoorden worden aan de stam de uitgangen -te(n) en -de(n) toegevoegd voor de verleden tijd en wordt voor het voltooid deelwoord het voorvoegsel /ge/ voor de stam geplaatst.

Regelmatige werkwoorden die beginnen met de voorvoegsels be-, er-, her-, ont-, ver- krijgen geen voorvoegsel ge-.

Werkwoord Voltooid deelwoord
bespelen      bespeeld
erkennen  erkend
heropenen heropend
verrekken              verrekt

Zogenoemde onscheidbaar samengestelde werkwoorden krijgen bij het voltooid deelwoord evenmin een voorvoegsel ge-, mits de klemtoon niet op het eerste lid van de samenstelling valt.

Werkwoord Voltooid deelwoord
doorkrúisen doorkruist (vergelijk met dóórstrepen ‒ doorgestreept)
weerléggen weerlegd

De onregelmatige werkwoorden hebben meestal klinkerverandering in de verleden tijd, en het voltooid deelwoord eindigt in de meeste gevallen op -en.

Werkwoord Verleden tijd Voltooid deelwoord
kijken keek       gekeken
genieten genoot genoten
wreken wreekte gewroken
vragen vroeg gevraagd

De groep onregelmatige werkwoorden heeft een subgroep van veelgebruikte werkwoorden die nog onregelmatiger zijn: hebben, kunnen, mogen, willen, zijn en zullen.

Veel naamwoorden kunnen verbogen worden. De meeste zelfstandige naamwoorden kun je bijvoorbeeld in het meervoud zetten. Meestal wordt er dan -en aan het grondwoord toegevoegd: stoel > stoelen. Hetzelfde geldt voor veel woorden met een korte klank en een medeklinker aan het eind, maar omwille van de uitspraak wordt dan de medeklinker in de schriftelijke taal verdubbeld: hek > hekken.

Deze regels zijn in het taalgebruik van de taalgebruikers gegroeid. Ze kunnen worden toegepast op het merendeel van de naamwoorden. Voor degenen die van huis uit Nederlands spreken, is het meestal geen enkel probleem om een meervoud te maken van een nieuw aangeleerd woord. Maar er zijn ook uitzonderingen, en die moeten door elke taalgebruiker apart geleerd en onthouden worden, bijvoorbeeld: koe + [-jen] en ei + [-jeren].

Ook voor verbuiging van bijvoeglijke naamwoorden bestaan er regels. Je zegt een klein huis, maar een kleine boodschap. De meeste volwassen taalgebruikers die Nederlands als eerste taal spreken, realiseren zich waarschijnlijk niet eens welke regel hieraan ten grondslag ligt. Ze doen het zonder na te denken goed en de regels worden onbewust toegepast.

De groep onregelmatige werkwoorden heeft een subgroep van veelgebruikte werkwoorden die nog onregelmatiger zijn: hebben, kunnen, mogen, willen, zijn en zullen.