Start.nl - deel 2

Hoofdstuk 5

Woordenschat

Oefening 3

Welk woord past hier?

Als je klaar bent met de oefening klik je op 'controleer' om je antwoorden te controleren.

1. De tennisser gooide zijn op de grond.

2. Sinds ik naar de sportschool ga, is mijn veel beter.

3. Je moet als je met de wedstrijd mee wil doen.

4. Na de pauze zullen we met het spel .

5. Welke sport jij?

6. Weet jij het van de aerobiclessen?

7. Ze kan niet voetballen, want ze heeft last van haar grote .

8. De van een halve marathon is iets meer dan twintig kilometer.

9. Leg je been op een stoel en je mag je voet niet .

10. Tijdens de dronken de spelers water.