-
Welk voornaamwoord kun je voor het onderstreepte deel gebruiken?
Ik ging met mijn moeder naar Amsterdam. Ik kocht twee kaartjes; één voor mij en één voor mijn moeder.
-
ze
-
zij
-
haar
-
Welk voornaamwoord kun je voor het onderstreepte deel gebruiken?
Is de trein al weg? Ik heb de trein niet weg zien rijden.
-
hem
-
het
-
ze
-
Welk voornaamwoord kun je voor het onderstreepte deel gebruiken?
Waar is mijn kaartje? Ik heb mijn kaartje toch net bij de automaat gekocht.
-
hem
-
het
-
hij
-
Welk voornaamwoord kun je voor het onderstreepte deel gebruiken?
Met deze plaatsbewijzen kunt u eerste klas reizen. Bewaar de plaatsbewijzen goed.
-
hem
-
het
-
ze
-
Welk voornaamwoord kun je voor het onderstreepte deel gebruiken?
Dat zijn Peter en Marieke. Ik geef mijn ov-chipkaart aan Peter en Marieke.
-
zij
-
hun
-
ons
-
... ik in Nederland woon, fiets ik iedere dag.
-
Toen
-
Sinds
-
... ik klein was, ging ik graag met de trein.
-
Als
-
Toen
-
Je kunt maar beter de bus nemen ... het heeft gesneeuwd.
-
als
-
toen
-
Ik kom te laat ... de trein nu niet direct vertrekt.
-
sinds
-
als
-
Je moet twee uur voor vertrektijd op het vliegveld zijn ... je met KLM vliegt.
-
wanneer
-
sinds
-
Welke zin is goed?
-
Toen de conducteur kwam, was ik mijn kaartje kwijt.
-
Toen kwam de conducteur, was ik mijn kaartje kwijt.
-
Welke zin is goed?
-
Je moet altijd je hand uitsteken als je gaat linksaf of rechtsaf.
-
Je moet altijd je hand uitsteken als je linksaf of rechtsaf gaat.
-
Welke zin is goed?
-
Er rijden meer bussen in de stad sinds ze de parkeergarages duurder hebben gemaakt.
-
Er rijden meer bussen in de stad sinds ze hebben gemaakt de parkeergarages duurder.
-
Welke zin is goed?
-
Als je wil nemen de bus, moet je bij de bushalte gaan staan.
-
Als je de bus wil nemen, moet je bij de bushalte gaan staan.
-
Welke zin is goed?
-
Toen zijn fiets kapot was, hij ging naar de fietsenmaker.
-
Toen zijn fiets kapot was, ging hij naar de fietsenmaker.
-
iemand die niet meer werkt
-
gemiddeld
-
onregelmatig
-
gepensioneerd
-
over een tijdje, niet direct
-
intussen
-
op termijn
-
van tevoren
-
zorgen dat jouw auto stopt
-
remmen
-
ophalen
-
afzetten
-
aan iemand anders geven
-
doorgeven
-
meemaken
-
aannemen
-
het transport: de auto, trein, fiets, enz.
-
de vrachtwagen
-
het vliegveld
-
het vervoer
-
We hebben in het weekend een mooie ... met de auto gemaakt. We hebben meer dan drie uur gereden.
-
bagage
-
tocht
-
band
-
Het is op het station ... om te roken. Dat mag alleen in de rokerszone.
-
onregelmatig
-
zinloos
-
verboden
-
De reizigers wachtten ... totdat het vliegtuig eindelijk vertrok.
-
geduldig
-
tijdig
-
vervelend
-
Als je band kapot is, moet je hem ... door je reserveband.
-
behandelen
-
uitstappen
-
vervangen
-
Door de ... op het station, heb ik bijna mijn trein gemist.
-
dringende
-
termijn
-
drukte