Zichtbaar Nederlands

1 Het substantief

De, het, een of niets?

Vul in: ‘de’, ‘het’, ‘een’ of ‘-’ (= niets).

1 In augustus kreeg ik cadeau. Ik vond cadeau erg leuk.
2 Elke ochtend eet Ruud banaan en drinkt kopje koffie.
3 moeder van Saskia speelt piano.
4 Op maandag gaan we op vakantie.
5 Ik heb nieuwe fiets. Het was fiets van mijn broer.
6 We gaan met bus naar Rotterdam.
7 Ik zie tram, maar niet onze bus.
8 Studeer je Nederlands? Nee, maar ik spreek wel Nederlands.
9 Vera werkt als dokter en is gespecialiseerd in griep.
10 Ze werkt in Nederland voor grote multinational.