Volgende 1 Het substantief Oefenen Kaartjes en ander materiaal Deel 1.1 Deel 1.2 Deel 1.3 Deel 1.4 Deel 1.5 De of het? De, het, een of niets? I De, het, een of niets? II De, het, een of niets? Vul in: ‘de’, ‘het’, ‘een’ of ‘-’ (= niets). 1 In - de een het augustus kreeg ik - de een het cadeau. Ik vond - de een het cadeau erg leuk.2 Elke ochtend eet Ruud - de een het banaan en drinkt - de een het kopje - de een het koffie.3 - de een het moeder van - de een het Saskia speelt - de een het piano.4 Op - de een het maandag gaan we op - de een het vakantie.5 Ik heb - de een het nieuwe fiets. Het was - de een het fiets van mijn broer.6 We gaan met - de een het bus naar - de een het Rotterdam.7 Ik zie - de een het tram, maar niet - de een het onze bus.8 Studeer je - de een het Nederlands? Nee, maar ik spreek wel - de een het Nederlands.9 Vera werkt als - de een het dokter en is gespecialiseerd in - de een het griep.10 Ze werkt in - de een het Nederland voor - de een het grote multinational. controleer oké