Zichtbaar Nederlands

1 Het substantief

De, het, een of niets?

Vul in: ‘de’, ‘het’, ‘een’ of ‘-’ (= niets).

1 Ik ga eten in beste restaurant van mijn stad.
2 Lucia koopt broodjes in supermarkt.
3 Om één uur ga ik uur sporten in stadion.
4 Ik heb vraag: heeft u nog blauwe T-shirts?
5 Er is supermarkt in Dorpsstraat.
6 koelkast staat in keuken.
7 Dat is goed idee, maar heb je tijd voor dit idee?
8 Op school had ik goed cijfer voor wiskunde.
9 We hebben probleem. probleem is dat we geen geld hebben.
10 Ik was beetje te laat voor eerste les.