Volgende 1 Het substantief Oefenen Kaartjes en ander materiaal Deel 1.1 Deel 1.2 Deel 1.3 Deel 1.4 Deel 1.5 De of het? De, het, een of niets? I De, het, een of niets? II De, het, een of niets? Vul in: ‘de’, ‘het’, ‘een’ of ‘-’ (= niets). 1 Ik ga eten in - de een het beste restaurant van mijn - de een het stad.2 Lucia koopt - de een het broodjes in - de een het supermarkt.3 Om één uur ga ik - de een het uur sporten in - de een het stadion.4 Ik heb - de een het vraag: heeft u nog - de een het blauwe T-shirts?5 Er is - de een het supermarkt in - de een het Dorpsstraat.6 - de een het koelkast staat in - de een het keuken.7 Dat is - de een het goed idee, maar heb je - de een het tijd voor dit idee?8 Op - de een het school had ik - de een het goed cijfer voor wiskunde.9 We hebben - de een het probleem. - de een het probleem is dat we geen geld hebben.10 Ik was - de een het beetje te laat voor - de een het eerste les. controleer oké